DVDW Advocaten

Corporate Governance en het gevecht in de Arena

woensdag 8 februari 2012: Nieuws,Ondernemingsrecht

Sinds het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1968 (Wijsmuller) is evident dat besluitvorming binnen een orgaan van een rechtspersoon (zoals binnen de Raad van Commissarissen of bestuur) de vrucht moet zijn van onderling overleg van alle leden (van het orgaan) die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aan dat overleg wensen deel te nemen". Dat klemt temeer nu een RvC of bestuur krachtens de wet een collegiale taakopdracht heeft (vgl. artikel 2:140 lid 2 BW). De achterliggende gedachte hiervan is dat dit onderling overleg tussen leden van het orgaan de kwaliteit van de besluitvorming bevordert.

Het is dit elementaire uitgangspunt binnen het Nederlandse rechtspersonenrecht dat inmiddels vele maanden de voorpagina's van landelijke dagbladen heeft beheerst. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft op 7 februari 2012 het geschil binnen de RvC (vooralsnog) beslecht. Kort gezegd komt het oordeel van het Gerechtshof erop neer Johan Cruijff als lid van de RvC ten onrechte geen daadwerkelijke invloed heeft kunnen uitoefenen op de besluitvorming van de RvC, nu 1) hij slechts 9 uur voordat de vergadering van de RvC zou beginnen daarvoor is opgeroepen en 2) bij deze oproep niet een onvoldoende aankondiging van de ter vergadering te behandelen onderwerpen had plaatsgevonden. Volgens het Gerechtshof had Cruijf "niet bedacht hoeven te zijn op besluitvorming zoals die heeft plaatsgevonden". Het gaat hier om ernstige gebreken die kleven aan de totstandkoming van de betreffende besluiten, waardoor deze besluiten vernietigbaar zijn. Het Gerechtshof heeft hierover geoordeeld: "In het oog springt de combinatie van de twee gebreken, én een uiterst korte oproepingstermijn én een volstrekt onvoldoende duidelijke aankondiging van de te behandelen voorgenomen besluiten. Deze combinatie maakt aannemelijk dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om te bewerkstelligen dat Cruijff op de besluitvorming van 16 november geen daadwerkelijke invloed kon uitoefenen."

Hoe verder echter om te gaan met de situatie waarin op voorhand evident zou zijn dat een commissaris het toch oneens zou zijn met een besluit van de RvC? Dan nog dient sprake te zijn van een ordentelijk verloop van het overleg binnen de RvC dat tot besluitvorming moet leiden. In het onderhavige geval heeft het Gerechtshof overwogen dat Cruijff als lid van de RvC door de overige leden van de RvC bewust buiten spel is gezet. Gegeven die omstandigheid en de geringe omvang van de RvC in dit geval (waarin temeer geldt dat besluitvorming de vrucht van onderling overleg behoort te zijn), is onaanvaardbaar om ernstige gebreken, die aan besluitvorming kleven, achteraf goed te praten door te veronderstellen dat geen ander besluit genomen zou zijn, indien de oproepingstermijn wel in acht was genomen en de te behandelen onderwerpen wel juist waren vermeld.

Zeker waar spanningen zijn binnen vennootschapsorganen met een collegiale taakvervulling, zoals bestuur of RvC, is het van groot belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met statutaire en wettelijke voorschriften die gesteld worden aan de wijze waarop besluitvorming binnen die organen moet plaatsvinden. In het belang van de vennootschap dient voorkomen te worden dat leden van bestuur of RvC onderling zodanige onenigheid hebben dat de in acht te nemen zorgvuldigheid niet meer in acht wordt genomen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Theo Hanssen.

Plaats een reactie

Actueel

Ons laatste nieuws

Print deze pagina