DVDW Advocaten

Concernfinanciering en tegenstrijdig belang

woensdag 15 maart 2017

In zijn arrest van 3 maart 2017 beoordeelt de Hoge Raad de vraag of er sprake is van een onaanvaardbaar tegenstrijdig belang bij het aangaan van twee overeenkomsten op basis waarvan concernfinanciering werd verstrekt.

Beter tien vogels in de hand dan één in de lucht

Een holdingvennootschap (hierna: "Holding") verkeert in ernstige liquiditeitsproblemen en heeft op korte termijn extra gelden nodig. De bank is niet bereid die te verstrekken. A is wel bereid de vereiste middelen te verstrekken en sluit met grote spoed met Holding een leningsovereenkomst waarbij laatstgenoemde indirect wordt vertegenwoordigd door (o.a.) B.

Partijen realiseren zich dat deze overeenkomst te weinig zekerheid biedt voor A. Nog geen week later komt een tweede overeenkomst tot stand die dat beoogt te herstellen. Op grond van die overeenkomst verbinden de (klein)dochtervennootschappen van Holding zich mede voor de verstrekte financiering. Dit  wordt als volgt vormgegeven.

De binding van de (klein)dochtervennootschappen van Holding wordt mogelijk gemaakt door C bij deze overeenkomst medeschuldenaar te maken voor de aan Holding verstrekte lening en haar een regresvordering toe te kennen op de (klein)dochtervennootschappen indien het op betaling door C zou aankomen. C was een vennootschap waarvan A en B gezamenlijk alle aandelen hielden. Holding en de (klein)dochtervennootschappen werden bij deze tweede overeenkomst wederom vertegenwoordigd door (o.a.) B.

Vervolgens failleren Holding en een groot aantal van haar concernvennootschappen. C voldoet de vordering van A die A oorspronkelijk alleen op Holding had. Daarna tracht C verhaal te nemen op een dochtervennootschap van Holding en dient C de vordering in in het faillissement van die dochtervennootschap van Holding.

 

Concernfinanciering en tegenstrijdig belang

Vervolgens komt de vraag aan de orde of B bij het aangaan van de tweede overeenkomst heeft gehandeld met een tegenstrijdig belang en of die overeenkomst in het belang was van de (klein)dochtervennootschappen. Immers, ten tijde van het aangaan van die overeenkomst was alleen Holding schuldenaar van de lening. Door de tweede overeenkomst werd mogelijk gemaakt dat C verhaal kon nemen op (o.a.) de (klein)dochtervennootschappen. Bij die verhaalsvordering van C had B als aandeelhouder van C een duidelijk belang. Dat terwijl B bij zowel C als Holding en haar (klein)dochtervennootschappen aan de knoppen had gezeten.

De Hoge Raad billijkt de beoordeling van die vraag door het hof waarbij nadrukkelijk op het doel, de achtergrond en de structuur van de concernfinancieringsverhouding werd gewezen. Hierbij speelt mee dat de tweede overeenkomst was bedoeld om een omissie in de eerste overeenkomst weg te nemen waardoor beide overeenkomsten als één geheel dienen te worden behandelend voor wat betreft het beantwoorden van de vraag of B gehandeld heeft met een tegenstrijdig belang. Bij beantwoording van die vraag speelt een rol of bij het aangaan van deze overeenkomsten in het belang van de (klein)dochters is gehandeld. Weliswaar maakte de tweede overeenkomst dat de (klein)dochters zich naast Holding verbonden voor de schuld, maar dat is in dit geval niet van belang. Het resultaat van deze constructie is namelijk hetzelfde indien de (klein)dochters direct bij de eerste overeenkomst zich hoofdelijk tegenover A hadden verbonden. Van een relevant tegenstrijdig belang van B was geen sprake, aldus de Hoge Raad in navolging van het hof. 

De Hoge Raad heeft met deze praktische uitspraak, in navolging van het hof, de vraag of sprake was van een tegenstijdig belang en of de tweede overeenkomst in het belang was van de (klein)dochtervennootschappen beantwoord in het licht het "totaalplaatje".

Dat neemt niet weg dat het bij het verstrekken van concernfinanciering van belang is te beoordelen of alle concernvennootschappen zich daarvoor kunnen binden. Dat vereist een snelle en grondige analyse van de verschillende belangen.

 

Meer informatie 

Als kantoor staan wij regelmatig bedrijven bij die met dit soort vraagstukken te maken hebben. Ook publiceren wij met enige regelmaat over relevante rechtspraak en wetgeving op het gebied van dit vraagstuk. Zoals onder meer:

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Th.P.J. Hanssen, prof M. Olaerts of mr. F.J. Haasjes.

 

Vindplaats uitspraak Hoge Raad: 3 maart 2017 ECLI:HR:2017:363

Plaats een reactie

Reacties op dit bericht zijn niet (meer) mogelijk.

Evenementen

Actueel

Ons laatste nieuws

Print deze pagina