DVDW Advocaten

De aansprakelijkheid van indirecte bestuurders: wie moet stellen en bewijzen?

maandag 6 maart 2017: Ondernemingsrecht

Als een rechtspersoon jegens een schuldeiser tekortschiet in de nakoming van haar contractuele betalingsverplichtingen, dan kan een schuldeiser onder bepaalde voorwaarden de bestuurder van zo'n rechtspersoon op grond van een onrechtmatige daadsvordering aansprakelijk stellen voor de schade die de schuldeiser lijdt. Wel zal een schuldeiser dan in beginsel moeten aantonen dat de bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt en zal ook aan de overige voorwaarden die de wet aan een onrechtmatige daadsvordering verbindt, moeten zijn voldaan.

Voldoende ernstig persoonlijk verwijt

Van een "voldoende ernstig persoonlijk verwijt" kan sprake zijn als een bestuurder zijn rechtspersoon een overeenkomst heeft laten aangaan, terwijl de bestuurder wist of behoorde te weten dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou kunnen bieden voor de schade die schuldeiser daardoor lijdt. Deze norm wordt in de rechtspraak en rechtsliteratuur ook wel aangeduid als de 'Beklamelnorm'. Ook kan er sprake zijn van een "voldoende ernstig persoonlijk verwijt" als de bestuurder heeft bewerkstelligd of heeft toegelaten dat de rechtspersoon haar verplichtingen jegens een schuldeiser niet nakomt. In beginsel is het de schuldeiser die zal moeten aantonen dat aan de bestuurder van een rechtspersoon een "voldoende ernstig" en "persoonlijk verwijt" kan worden gemaakt, om op grond van een onrechtmatige daadsvordering een bestuurder aansprakelijk te kunnen stellen. De stelplicht en bewijslast bij een onrechtmatige daadsvordering en daarmee ook het procesrisico liggen in beginsel dus bij een schuldeiser. Een schuldeiser heeft daarmee een aanzienlijke hobbel te nemen, aangezien het uitgangspunt in het Nederlands recht nog altijd is dat een bestuurder niet aansprakelijk is voor de schulden van zijn rechtspersoon en bestuurderaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad door een rechter niet snel zal worden aangenomen.

De bestuurder is zelf een rechtspersoon

Wat nu als de bestuurder zelf een rechtspersoon is? Moet een schuldeiser dan ook aantonen dat niet alleen de rechtspersoon-bestuurder, maar ook de achterliggende indirecte bestuurder of (als er meerdere bestuurders zijn) elk van de bestuurders van die rechtspersoon-bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt? In een recentelijk gewezen arrest heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten. Het arrest pakt gunstig uit voor schuldeisers die ook de achterliggende indirecte bestuurders aansprakelijk willen stellen. Uit het arrest volgt namelijk dat, als door een schuldeiser eenmaal is aangetoond dat een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is, de schuldeiser vervolgens niet voor elke achterliggende (indirecte) bestuurder afzonderlijk meer hoeft aan te tonen dat deze een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad gaat er namelijk vanuit dat elk van de indirecte bestuurders op voorhand dan een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Het is dan aan de indirecte bestuurders om ieder voor zich aan te tonen dat hen geen verwijt kan worden gemaakt. Het procesrisico ligt daarmee bij de indirecte bestuurders. Hiermee heeft de Hoge Raad het voor schuldeisers eenvoudiger willen maken om door te pakken naar de achterliggende bestuurders van een rechtspersoon-bestuurder.

Recente uitspraak

Het arrest van de Hoge Raad neemt niet weg dat een schuldeiser nog steeds een aanzienlijke hobbel heeft te nemen als de schuldeiser een bestuurder aansprakelijk wil stellen voor de schulden van een rechtspersoon, zoals recentelijk nog eens is bevestigd in een vonnis van de Rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in een zaak waarin ons kantoor een aantal personen bijstond, onder wie een indirect bestuurder, die door een schuldeiser aansprakelijk werden gesteld voor de schulden van een rechtspersoon. In de betreffende zaak overwoog de rechtbank dat er onvoldoende was gesteld door de schuldeiser om bestuurdersaansprakelijkheid aan te nemen. Niet alleen had de schuldeiser niet aangetoond dat er sprake was van een voldoende ernstig verwijt, maar ook had de schuldeiser niet aangetoond dat aan de andere voorwaarden voor een onrechtmatige daadsvordering was voldaan. Zo zal een schuldeiser, behalve een voldoende ernstig persoonlijk verwijt onder meer ook moeten aantonen dat er sprake is van schade en van een causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige gedraging van een bestuurder. Het niet nakomen van een minnelijke regeling die is aangegaan op het moment dat de schade al bestond, hoeft op zichzelf nog niet te leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid, als de schuldeiser niet kan aantonen dat de schuldeiser hierdoor is benadeeld.

Weliswaar heeft de Hoge Raad het met de recentelijk gewezen uitspraak gemakkelijker gemaakt voor een schuldeiser om door te pakken naar indirecte bestuurders van een rechtspersoon, maar dat neemt niet weg dat een schuldeiser dan wel eerst een hobbel zal moeten nemen door aan te tonen dat de directe bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt treft waarbij ook aan de andere voorwaarden die de wet aan een onrechtmatige daadsvordering verbindt, moet zijn voldaan.

Meer informatie

Als kantoor staan wij bestuurders van rechtspersonen en schuldeisers bij in diverse aansprakelijkheidskwesties. Ook publiceren wij met enige regelmaat over relevante rechtspraak en wetgeving op het gebied van bestuurdersaansprakelijkheid. Zoals onder meer:

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met mr. Th.P.J. Hanssen en mr. M.H. Visscher.

  • Vindplaats uitspraak Hoge Raad: 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275
  • Vindplaats uitspraak Rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam: Rb Rotterdam 22 februari 2017, zaaknummer C/10/495705/HA ZA 16-186 (niet gepubliceerd)

  

 

 

 

Plaats een reactie

Evenementen

Actueel

Ons laatste nieuws

Print deze pagina