DVDW Advocaten

De overnamestrijd bij AkzoNobel

vrijdag 7 juli 2017: Nieuws,Corporate Dispute Resolution

Het Nederlandse stakeholdermodel leidt regelmatig tot onbegrip bij aandeelhouders. Dat blijkt wederom uit de uitspraak inzake AkzoNobel van 29 mei 2017. De onderneming hoeft niet altijd de wensen van de aandeelhouders te volgen, en ook het recht van de aandeelhouders om vooraf betrokken te worden bij belangrijke besluitvorming is beperkt.

Achtergrond procedure

AkzoNobel ontving drie keer een voorstel voor een openbaar bod van PPG Industries (producent van verf en coatings) op geplaatste gewone aandelen in het kapitaal van AkzoNobel. Het bestuur van AkzoNobel - met de steun van de raad van commissarissen ("RvC") - heeft de drie voorstellen voor een openbaar bod unaniem afgewezen en weigerde verder in overleg te treden. Vervolgens heeft PPG Industries laten weten het overnamebod in te trekken.

Elliot International (een activistisch hedge fund) eiste van AkzoNobel dat zij in gesprek zou gaan met PPG Industries. Zij heeft zich, samen met andere aandeelhouders, vervolgens tot de Ondernemingskamer gericht met het verzoek een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken en het beleid van AkzoNobel. Daarbij werd de Ondernemingskamer verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen, waarbij de focus lag op (1) het bevelen van het bestuur tot het bijeenroepen van een buitengewone aandeelhoudersvergadering met als agendapunt het ontslag van de voorzitter van de RvC, de heer A. Burgmans en (2) de benoeming van een commissaris met beslissende stem.

Het doel van deze vergadering was klaarblijkelijk om verandering te brengen in de afwijzende houding van de RvC (en aldus steun te verkrijgen voor de biedingsvoorstellen van PPG Industries). Het bestuur en de RvC had dit agendapunt eerder geweigerd omdat zij meenden dat Elliot International (en anderen) daarbij geen redelijk belang had en het voorgelegde besluit bovendien schadelijk zou zijn voor de onderneming. Omdat het ontslag het enige agendapunt betrof, wilde AkzoNobel ook geen algemene vergadering bijeenroepen.

Beschikking Ondernemingskamer

De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 29 mei 2017 nog niet besloten of zij wel of niet het onderzoek naar het beleid en de gang van zaken zal toelaten. Wel heeft de Ondernemingskamer de verzoeken van Elliot International (en anderen) om voorlopige voorzieningen te treffen afgewezen, waardoor ook de verzochte aandeelhoudersvergadering niet zal worden gehouden. Blijkens het FD van 3 juni 2017 laat Elliott International het hier niet bij zitten en behoort een nieuwe gang naar de rechter tot de mogelijkheden.

Weigeren agendapunt acceptabel?

De Ondernemingskamer laat zich niet uit over de vraag of de aandeelhouders een aandeelhoudersvergadering bijeen konden roepen. Het is immers de voorzieningenrechter die beslist over machtiging tot bijeenroeping van een aandeelhoudersvergadering. De Ondernemingskamer ziet in de weigering om een aandeelhoudersvergadering te beleggen in ieder geval geen reden om te twijfelen aan een juist beleid. Er is dan ook geen aanleiding om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Het doel van het verzoek van Elliot International zou erop gericht zijn om AkzoNobel te bewegen om met PPG Industries te onderhandelen. Dat betreft een strategische kwestie, hetgeen valt onder de bevoegdheid van het bestuur en niet van de aandeelhouders. Als een agenderingsverzoek dus feitelijk is gericht op het uitoefenen van zeggenschap over de strategie van de onderneming, dan hoeft het bestuur hier in principe niet in mee te gaan. Het bepalen van de strategie is voorbehouden aan het bestuur onder toezicht van de RvC.

Wie bepaalt afwijzing of acceptatie van het voorstel?

Alleen het bestuur - onder toezicht van de RvC - bepaalt de strategie van de onderneming. De wijze waarop een onderneming reageert op een ongevraagd voorstel voor een openbaar overnamebod, valt ook onder die bevoegdheid.  Het bestuur en de RvC zijn niet verplicht om de aandeelhouders te betrekken of te consulteren voorafgaand aan de reactie van de onderneming op dat voorstel tot een bod. De aandeelhouders hebben dus geen recht op voorafgaande zeggenschap (behoudens afwijkingen in statuten of wet, zoals bijvoorbeeld in art. 2:107 BW). Dat volgt ook uit de eerdere bekende uitspraken van de Hoge Raad uit 9 juli 2010 (ASMI) en 13 juli 2007 (ABN AMRO).

Het bestuur - onder toezicht van de RvC - mag het voorstel voor een openbaar bod afwijzen zonder dat de AvA zich hierover heeft uitgelaten. Volgens het bestuur heeft AkzoNobel een op het Nederlandse stakeholder-model gerichte strategie en waren de voorstellen van PPG Industries niet in het belang van de onderneming en haar stakeholders. Het bestuur gaf de voorkeur aan een "stand alone" strategie. Dit mag in beginsel, ook al is het aannemelijk dat een "stand alone" scenario minder aandeelhouderswaarde oplevert op lange termijn dan het overnamevoorstel op korte termijn.

Welke belangen staan voorop bij het beoordelen van het bod?

Bij het beoordelen van een overnamevoorstel, moet het bestuur zich laten leiden door het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Het bevorderen van het bestendige succes (lange termijn waarde creatie) van de onderneming staat daarbij voorop. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Hoge Raad van 4 april 2014 (Cancun). Dit betekent naar Nederlands recht dat ook de belangen van andere stakeholders dan alleen de aandeelhouders in de afweging moeten worden betrokken. Het belang van de vennootschap staat voorop, ook al wijkt dit af van de wil van de aandeelhouders. Dit brengt mee dat het bestuur een voorstel tot een bod mag (of zelfs moet) afwijzen ook al is dit niet de wens van de aandeelhouders.

Verplicht om te onderhandelen?

Er bestaat geen algemene verplichting om te onderhandelen of tot inhoudelijke besprekingen met een potentiele bieder als er sprake is van een ongevraagd overnamevoorstel. Zelfs niet als sprake is van een serieus voorstel. Een dergelijke verplichting kan wel ontstaan naar gelang de omstandigheden. Een omstandigheid zou kunnen zijn dat een onderneming het besluit heeft genomen om niet langer "stand alone" te zijn. Ook de biedprijs, de strategische bedoelingen van de potentiele bieder, de interactie tussen partijen en de inhoud van de voorstellen spelen een rol. Relevant is bovendien in hoeverre de voorstellen echt beoordeeld kunnen worden zonder inhoudelijke besprekingen. Het enkele feit dat inhoudelijk overleg kan bijdragen aan de oordeelsvorming van het bestuur en de verantwoording aan de aandeelhouders is onvoldoende om een verplichting tot onderhandelen of inhoudelijke gesprekken aan te nemen. Wel mag het bestuur natuurlijk niet de belangen van de bieder onevenredig schaden; deze belangen moeten worden gerespecteerd.

Zorgvuldige besluitvorming vereist

Het bestuur en de RvC dienen wel nog steeds verantwoording af te leggen aan de aandeelhouders over het gevoerde beleid. De aandeelhouders hebben recht op voldoende informatie over de afwegingen die ten grondslag liggen aan het gekozen beleid, zodat zij in staat worden gesteld hun aandeelhoudersrechten uit te oefenen en gedegen investeringskeuzes te maken. Deze verantwoording mag achteraf plaatsvinden en kan volgens de Ondernemingskamer worden afgedwongen door middel van een machtigingsverzoek aan de voorzieningenrechter tot bijeenroepen van een algemene vergadering voor dat doel (op grond van art. 2:110 en 2:111 BW). Daarbij is van belang dat het bestuur en de RvC kan laten zien dat een zorgvuldige besluitvorming heeft plaatsgevonden. Relevant is onder meer hoe intensief en frequent het bestuur en de RvC (ieder) hebben vergaderd over de relevante onderwerpen en wat de alternatieve scenario's waren. Dit moet men later kunnen laten zien, dus het bestuur en de RvC dient te zorgen voor een uitstekende paper trail.

Herstel vertrouwen aandeelhouders

De afwijzing van de voorstellen heeft geleid tot een verwijdering tussen het bestuur en de RvC enerzijds en de aandeelhouders anderzijds. Een aanhoudend vertrouwensgebrek bij een substantiële hoeveelheid aandeelhouders ten aanzien van de door bestuur en de RvC bepaalde strategie is schadelijk voor de onderneming en diens stakeholders en dus niet in het vennootschappelijke belang. Het bestuur en de RvC dienen te bepalen hoe zij de verstandhouding met de aandeelhouders weer enigszins kunnen normaliseren.

Verplicht inschakelen van de nodige expertise

Zoals uit eerdere uitspraken volgt, is het bestuur en de Raad van Commissarissen (evenals de individuele bestuurders en commissarissen) verplicht om de nodige (eigen) juridische en financiële expertise in te schakelen indien de onderneming geconfronteerd wordt met complexe problemen en deze expertise is niet of niet voldoende aanwezig. Ook in de AkzoNobel beschikking was het feit dat het bestuur en de raad van commissarissen zich hebben laten bijstaan door externe financiële en juridische adviseurs relevant. Dit droeg bij aan het oordeel dat niet kon worden gezegd dat AkzoNobel op onzorgvuldige wijze tot afwijzing van de voorstellen van PPG Industries had besloten.

Blijf op de hoogte

Voor meer informatie over dit onderwerp of andere ondernemingsrechtelijke geschillen kunt u contact opnemen met Marjon Lok of ga naar de expertisepagina voor meer informatie over de sectie Corporate Dispute Resolution.

In de volgende nieuwsbrief Corporate Dispute Resolution zal nader worden ingegaan op deze uitspraak, evenals de Richtlijn Aandeelhoudersrechten.

Aanmelden voor de nieuwsbrief Corporate Dispute Resolution

Lees de meest recente nieuwsbrief

Plaats een reactie

Evenementen

Actueel

Ons laatste nieuws

Print deze pagina