DVDW Advocaten

De ene opzegging, is de andere niet!

maandag 16 april 2018: nieuws

Een bijdrage van Rien Visscher

 

De afgelopen jaren heeft de Hoge Raad een aantal interessante arresten gewezen over de opzegging van duurovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan. Sinds kort kan daar een belangrijke uitspraak aan worden toegevoegd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor het antwoord op de vraag onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan worden opgezegd, in de eerste plaats moet worden gekeken naar de inhoud van de overeenkomsten (oftewel de tussen contractspartijen gemaakte afspraken) en de eventueel van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Als contractspartijen geen opzeggingsregeling hebben opgenomen in hun overeenkomst en ook de wet geen opzeggingsregeling kent, dan is een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan in principe opzegbaar. Echter, de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat onder bepaalde omstandigheden een opzegging alleen mogelijk is als de partij die wil opzeggen daarvoor een voldoende zwaarwegende reden heeft. Ook kunnen de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat een opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding aan de opgezegde partij (zie: HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, NJ 2013/341 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450).

Aan deze rechtspraak kan sinds kort een belangrijke uitspraak worden toegevoegd. Op 2 februari jl. overwoog de Hoge Raad namelijk dat, ook als in de wet of in een duurovereenkomst een opzeggingsregeling is opgenomen, de redelijkheid en billijkheid, in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat aan een opzegging nadere eisen worden gesteld (zie: HR 2 februari 2018,ECLI:NL:HR:2018:141). Ook bevestigde de Hoge Raad nog eens dat, als een partij de overeenkomst wil opzeggen met een beroep op een wettelijke of contractuele opzeggingsregeling, een dergelijke opzegging onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (zie hierover eerder ook: HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450). Verder bevestigde de Hoge Raad nog eens dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn (zie hierover eerder: HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, NJ 2016/236).

Hoewel volgens de Hoge Raad het hof in dit geval terecht had geoordeeld dat de contractuele opzeggingsregeling die tussen partijen was overeengekomen redelijk was en er ten aanzien van de contractuele opzeggingsregeling in dit geval geen nadere eisen hoefden te worden gesteld en de overeengekomen opzeggingsregeling ook niet onaanvaardbaar was, kan dat onder bepaalde omstandigheden anders zijn.

Contractspartijen die een duurovereenkomst willen opzeggen of die zich geconfronteerd zien met een opzegging moeten zich realiseren dat in principe duurovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan, kunnen worden opgezegd, al dan niet met een beroep op een wettelijke of contractuele opzeggingsregeling, maar dat daarbij steeds moet worden gekeken naar de omstandigheden waaronder een opzegging plaatsvindt. Ook als op grond van de wet of op grond van een contractuele opzeggingsregeling een opzegging in principe mogelijk is, kunnen de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er nadere eisen aan een opzegging worden gesteld of dat er geen beroep kan worden gedaan op de contractuele of wettelijke opzeggingsregeling. De specifieke omstandigheden waaronder een opzegging plaatsvindt zijn dan ook van groot belang bij de vraag of een (beoogde) opzegging uiteindelijk rechtsgeldig is. Wat de recente uitspraak van de Hoge Raad met name interessant maakt, is dat hieruit volgt dat ook bij een wettelijke opzeggingsregeling de omstandigheden van het geval aan een opzegging in de weg kunnen staan. In het ene geval kan het dus zijn dat een opzegging rechtsgeldig is, terwijl in het andere geval een opzegging toch niet (zonder meer) mogelijk blijkt te zijn.

Ons kantoor houdt zich onder meer bezig met het adviseren over en het procederen naar aanleiding van beëindigde (duur)overeenkomsten. Indien u meer informatie wilt hebben over dit onderwerp kunt u vrijblijvend contact opnemen met Rien Visscher.

Zie voor meer informatie over dit onderwerp ook 'De redelijke opzegging van onbenoemde duurovereenkomsten, TvOB 2011, nr. 6, p. 146 - 155' en 'Opzegging van onbenoemde duurovereenkomsten, V&O 2007, nr. 6, p. 110 - 113'.

Plaats een reactie

Reacties op dit bericht zijn niet (meer) mogelijk.

Actueel

Ons laatste nieuws

Print deze pagina