De prijs van te laat betaald loon
09 april 2026 - Ruben Berghuis - Kirsten Moonen
HERO 2026 / N-010, Ruben Berghuis en Kirsten Moonen, e-ISSN 2667-3568, M.A.D.Lex – annotatie bij ECLI:NL:HR:2026:239 – https://www.online-hero.nl/art/5566/de-prijs-van-te-laat-betaald-loon.
Rechtsvraag
Is de boedel met betrekking tot niet-tijdig betaald loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld kwalificeert wettelijke verhoging (art. 7:625 BW) en wettelijke rente (art. 6:119 BW) verschuldigd – ook over loon dat valt onder de loongarantieregeling van art. 61 e.v. WW? En welke rang hebben deze vorderingen? In hoeverre vormt het faillissement grond voor matiging van de wettelijke verhoging? Moet de curator werknemers uit eigen beweging over hun rechten jegens de boedel uit hoofde van wettelijke verhoging en wettelijke rente informeren?
In het kort
Deze zaak betreft een proefprocedure van de FNV tegen de curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V., waarbij de rechtbank Limburg door beide partijen is verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.
De vragen betreffen de positie van werknemers als boedelschuldeisers bij niet-tijdige betaling van loon na faillissement. Centraal staat of, over loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld kwalificeert, de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en wettelijke rente ex art. 6:119 BW verschuldigd zijn, ook voor zover dat loon onder de loongarantieregeling van art. 61 e.v. WW valt.
Voorts is aan de orde welke rang deze (neven)vorderingen hebben en of het faillissement als zodanig grond vormt voor matiging van de wettelijke verhoging.
Ten slotte is aan de orde of op de curator een actieve informatieplicht rust richting werknemers ten aanzien van hun rechten op wettelijke verhoging en wettelijke rente.
Tip voor de praktijk
Curatoren doen er verstandig aan om naar aanleiding van dit arrest hun ontslagbrief aan te passen. Neem in de brief, waarmee de arbeidsovereenkomst op grond van art. 40 Fw wordt opgezegd, een standaardalinea op waarin werknemers worden gewezen op hun aanspraken jegens de boedel uit hoofde van (achterstallig) loon, wettelijke verhoging (art. 7:625 BW) en wettelijke rente (art. 6:119 BW). De Hoge Raad oordeelt dat een kennisgeving bij of kort na de opzegging volstaat.
Noot
Met dit arrest heeft de Hoge Raad het leerstuk van boedelschulden in faillissement verder vormgegeven. In een prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad vragen over de verschuldigdheid, rang en omvang van wettelijke verhoging (art. 7:625 lid 1 BW) en wettelijke rente over loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld kwalificeert. Het arrest sluit aan bij het arrest PaperlinX, waarin de Hoge Raad reeds oordeelde dat wettelijke rente over een huurboedelschuld als boedelschuld kwalificeert. In het onderhavige arrest wordt die lijn doorgetrokken naar de loonboedelschuld (art. 40 Fw). Tevens gaat het arrest in op de rang van die vorderingen, de matigingsbevoegdheid in faillissement en de informatieplicht van de curator richting boedelschuldeisers.
De aanleiding van het arrest is een proefprocedure die is aangespannen door vakbond FNV tegen de curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V. ("BAH”). De rechtbank Limburg heeft bij vonnis van 11 december 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:10155) zes prejudiciële vragen gesteld (art. 392 Rv).
De feiten zijn als volgt. Na een korte surseance van betaling (verleend op 20 juli 2018) is op 24 juli 2018 het faillissement van BAH uitgesproken en is de curator aangesteld. Ten tijde van de faillissementsuitspraak waren er 110 werknemers in dienst. De curator heeft de onderneming – met het oog op het realiseren van een doorstart – in faillissement voortgezet en daarbij het personeel ingezet.
Het loon over de maand juli had op de datum van de surseanceverlening moeten zijn uitbetaald. Gelet op de surseance en bij gebreke van vrij actief is dat niet gebeurd. Op grond van de toepasselijke cao had het loon uiterlijk 31 juli 2018 moeten zijn uitbetaald. Het loon wordt ook op die datum – vanwege het faillissement – niet voldaan.
De curator gaat vervolgens op grond van art. 40 Fw over tot opzegging van de arbeidsovereenkomsten. Het merendeel van de werknemers is vervolgens per 30 augustus of 5 september 2018 uit dienst getreden.
Het UWV heeft een intakegesprek gehouden met de werknemers op 2 augustus 2018. Het UWV is daarna overgegaan tot uitvoering van de loongarantieregeling. Niet alle vorderingen van de werknemers werden gedekt onder de loongarantieregeling. De niet-gedekte vorderingen waren voornamelijk verlofrechten (vakantiegeld). De curator heeft deze vorderingen, vooruitlopend op de eindbeschikking van het UWV, berekend en op 30 oktober 2018 aan de werknemers gecommuniceerd.
Bij de rechtbank in Roermond vordert de FNV een verklaring voor recht dat de curator de wettelijke rente en wettelijke verhoging is verschuldigd over de boedelschuld aan de werknemers uit hoofde van art. 40 lid 2 Fw en dat beide vorderingen kwalificeren als een boedelschuld met daaraan verbonden preferentie (art. 3:288 onder e BW). Ook vordert de FNV dat de curator de werknemers daarover uit eigen beweging moet informeren.
De rechtbank heeft bij haar verwijzingsvonnis een voorlopig oordeel geformuleerd. Ten aanzien van de wettelijke rente volgt de rechtbank FNV: onder verwijzing naar het PaperlinX-arrest staat vast dat verzuim bestaat ten aanzien van het juliloon 2018, zodat de boedel wettelijke rente verschuldigd is – ook over het deel dat onder de loongarantieregeling valt. Ten aanzien van de wettelijke verhoging kiest de rechtbank een andere koers: zij onderscheidt de prikkelfunctie van art. 7:625 BW van het schadevergoedende karakter van de wettelijke rente. Dat nevenvorderingen het lot van de hoofdvordering volgen, heeft slechts op dat laatste betrekking. Omdat in faillissement sprake is van betalingsonmacht in plaats van betalingsonwil, ziet de rechtbank reden voor matiging tot nihil. Ten aanzien van de informatieplicht overweegt zij dat het burgerlijk recht uitgaat van een actieve houding van schuldeisers en dat noch art. 7:611 BW noch art. 68 Fw grondslag biedt voor een plicht van de curator om individuele boedelschuldeisers eigener beweging te wijzen op rente- of verhogingsaanspraken.
- De Hoge Raad beantwoordt de eerste prejudiciële vraag (van zes) bevestigend. De boedel is wettelijke rente verschuldigd over te laat betaald loon dat een (concurrente) boedelschuld is ex art. 40 lid 2 Fw. Die wettelijke rente is dan ook een boedelschuld. Overeenkomstig zijn overwegingen in het PaperlinX-arrest (rov. 3.2.6), oordeelt de Hoge Raad dat sprake moet zijn van verzuim. Voor het antwoord op de vraag of verzuim bestaat, is niet van belang of de werknemer, in geval van faillissement van de werkgever, ook jegens het UWV recht heeft op een uitkering op grond van de loongarantieregeling, aldus de Hoge Raad. Bovendien vormt het bestaan van de loongarantieregeling niet een redelijke grond (art. 6:37 BW) om te twijfelen aan wie hij het loon moet betalen en (dus) is er geen grond voor opschorting van de op de curator rustende verplichting om het loon uit te betalen.
De tweede en derde vraag zien op de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW). De Hoge Raad oordeelt dat de boedel de wettelijke verhoging is verschuldigd (over het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw een boedelschuld is). Hij overweegt dat de wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel voor werkgevers om het loon tijdig te betalen en dat de arbeidsverhouding in faillissement ongewijzigd voortduurt. Als het loon (op grond van art. 6:75 BW) toerekenbaar niet-tijdig wordt voldaan, dan heeft de werknemer onverkort aanspraak op de wettelijke verhoging. Verwijtbaarheid is voor toerekening niet vereist. Een gebrek aan geldmiddelen, dan wel onzekerheid daaromtrent, staat niet in de weg aan toerekening.
Evenmin is van belang of ook jegens het UWV een aanspraak bestaat op grond van de loongarantieregeling. De Hoge Raad overweegt daartoe dat een dergelijke aanspraak onverlet laat dat het niet-voldoen de werkgever (de curator) kan worden toegerekend en dat de curator niet bevoegd is de verplichting tot uitbetaling van het loon op te schorten.
De wettelijke verhoging over het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw een boedelschuld is, is eveneens een boedelschuld. Op basis van een rechtshistorische vergelijking komt de Hoge Raad tot de conclusie dat de voorrang uit art. 3:288 sub e BW ook geldt voor de wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging over het loon dat ex art. 40 Fw een preferente boedelschuld is, is derhalve ook een preferente boedelschuld.
Gelet op de eerdere overweging, onder meer dat de arbeidsverhouding (en -overeenkomst) in faillissement voortduurt zoals die vóór faillissement gold, oordeelt de Hoge Raad dat de rechter de wettelijke verhoging (ex art. 7:625 lid 1, derde volzin BW) kan matigen tot een zodanig bedrag als hem billijk voorkomt, ook tot nihil. De omstandigheid dat sprake is van een faillissement of betalingsonmacht kan een grond zijn voor matiging.
Ten slotte, oordeelt de Hoge Raad dat een behoorlijke taakuitoefening kan meebrengen dat de curator ingeval van een boedelschuld de schuldeiser op de hoogte stelt van de mogelijkheid om daarop jegens de boedel aanspraak te maken. Dat zal het geval zijn als de curator bekend is met het bestaan van een boedelschuld en de curator weet of grond heeft te vermoeden, dat de schuldeiser zelf daarmee niet bekend is. Ten aanzien van werknemers volstaat een kennisgeving door de curator (bijvoorbeeld) bij of kort na de opzegging van de arbeidsovereenkomst, dat het loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente boedelschulden zijn.
De betekenis van dit arrest voor de praktijk is niet gering. Wij voorzien dat de curator (nog meer) nadruk zal leggen op (de beslissing over) het al dan niet ontslaan van het personeel en de doorloop van het loongarantietraject bij en door het UWV. Dat doet hij onder meer om te voorkomen dat loonboedelschulden oplopen. Geheel voorkomen kan hij dit echter niet. Immers, de wettelijke rente en wettelijke verhoging zullen oplopen zolang de curator de loonboedelschuld niet voldoet. Ook nadat het UWV het personeel heeft uitbetaald onder de loongarantieregeling kan de loonboedelschuld oplopen, als de loonvordering van de werknemer hoger is dan de uitkering die hij van het UWV ontvangt, bijvoorbeeld als zijn loon meer bedraagt dan anderhalf maal het vastgestelde dagloon (art. 64 lid 4 WW). Verder kunnen werknemers geen aanspraak maken op betaling van wettelijke rente en de wettelijke verhoging door het UWV, omdat die niet vallen onder het loonbegrip in art. 61 WW (ECLI:NL:CRVB:2010:BO1367, rov. 5.1).
De wettelijke verhoging gaat in geen geval de helft van het verschuldigde loon te boven. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid om de (kanton)rechter te verzoeken om (het maximumpercentage van) de verhoging te matigen. Uit onderzoek door Van Kempen (TAP 2019/190) volgt dat matiging veelvuldig wordt toegekend. Wel is het percentage van gevallen waarin matiging werd afgewezen significant gestegen: van 24% (in 2012) naar 38% (in 2019). Het is wachten op procedures waarin de curator de (kanton)rechter zal verzoeken om de wettelijke verhoging te matigen vanwege de omstandigheden in faillissement. Onzes inziens zal hij dan wel aannemelijk moeten maken dat de curator zich ervoor heeft ingespannen dat de loonboedelschuld zo snel mogelijk is betaald.
Naast de boedelschulden die aanzienlijk zullen oplopen, zal een curator meer werkzaamheden moeten verrichten omtrent het in kaart brengen van deze vorderingen en controle van de (berekening van de) ingediende boedelschulden.
De aanvaarding van een actieve informatieplicht is vanuit werknemersbeschermingsoogpunt toe te juichen. De rechtbank Limburg had overigens overwogen (rov. 3.17) dat een actieve informatieplicht niet zou passen bij het uitgangspunt dat de curator handelt in het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Zoals A-G De Bock terecht opmerkte (conclusie A-G, rov. 12.5), is deze gedachte niet verenigbaar met het gegeven dat de curator onder omstandigheden individuele schuldeisers behoort te informeren (zo volgt uit het Maclou-arrest).
De Hoge Raad formuleert de informatieplicht evenwel in tamelijk enge zin: een kennisgeving bij of kort na het ontslag ex art. 40 Fw volstaat. Dit relativeert de last voor curatoren, maar doet ook afbreuk aan het doel van de informatieplicht. Voor de hand ligt immers dat curatoren vanaf nu een standaardalinea opnemen in de ontslagbrieven die zij aan werknemers sturen. Zo’n ontslagbrief bevat al veel informatie, in het midden waarvan de informatie over ‘aanspraken jegens de boedel’ ongetwijfeld zal ondersneeuwen.
Daarnaast moet een curator zich afvragen of het ook nodig is een standaardalinea met informatie over (in ieder geval) wettelijke rente op te nemen in brieven aan andere boedelcrediteuren, zoals verhuurders. De Hoge Raad beperkt zijn oordeel over de informatieplicht namelijk niet tot werknemers als boedelschuldeisers. Zeker in het geval dat een verhuurder een niet-professionele partij is, zal de informatieplicht van de curator worden geactiveerd. Het UWV lijkt in haar eindafrekeningen nog geen aanspraak te maken op wettelijke rente over haar boedelvordering. De vraag is of dit arrest daar verandering in zal brengen. Een informatieplicht van de curator richting het UWV willen wij niet snel aannemen: het UWV is bij uitstek een partij die bekend moet worden geacht met haar aanspraken jegens de boedel.
Neem contact met ons op
- Rotterdam +31 (0)10 440 05 00
- Den Haag +31 (0)70 354 70 54