Levensvatbaar of niet? De vraag die elk saneringstraject voorafgaat.
17 juni 2026 - Anne Coppelmans
De omzet daalt, de schulden stapelen op, een leverancier dreigt met een dagvaarding en de bank wil praten. Of je nu zelf ondernemer bent of als PE-investeerder een bedrijf in je portefeuille ziet afglijden, dit zijn de momenten waarop de klok begint te tikken.
Financiële stress kondigt zich zelden plotseling aan. De signalen zijn er al eerder: het moeten kiezen tussen de betaling van facturen, een groeiende belastingschuld, leveranciers wiens geduld op is of een bankfaciliteit die onder druk staat.
Een faillissement is lang niet altijd de enige uitweg. Wanneer de onderneming zelf nog toekomst heeft, maar de schuldenlast in de weg staat, kan schuldsanering een oplossing zijn. De vraag die aan het begin van een dergelijk traject centraal staat, is precies het onderwerp van deze blog: is de onderneming na sanering daadwerkelijk levensvatbaar?
In deze blog bespreken wij twee mogelijke trajecten: het buitengerechtelijk akkoord en het WHOA-akkoord. Beide zijn erop gericht een onderneming met toekomstperspectief te redden, zonder dat deze wordt beëindigd door een faillissement. Maar allebei hebben alleen zin als die ene vraag positief kan worden beantwoord.
Wat betekent levensvatbaarheid?
Het saneren van schulden is geen doel op zichzelf. Het is een middel om de toekomst van een onderneming veilig te stellen. Dat is precies waarom levensvatbaarheid de spil vormt van elk herstructureringstraject. Als de onderneming ook na sanering structureel verlieslatend blijft, lost een akkoord met schuldeisers niets op.
Maar wat betekent levensvatbaarheid precies? Het antwoord is minder eenduidig dan het lijkt. In de literatuur wordt levensvatbaarheid omschreven als de mogelijkheid om in de toekomst een bedrijf draaiende te kunnen houden. Daarbij gaat het uitdrukkelijk niet alleen om financiële prestaties: ook de kwaliteit van het management, de marktpositie, het vermogen tot innovatie en de beschikbaarheid van voldoende marktmacht spelen een rol. Kortom, een onderneming is levensvatbaar wanneer zij in staat is om op lange termijn al haar verplichtingen te voldoen.
Voor ondernemers betekent dit dat zij scherp moeten kijken naar de vraag of de onderneming na sanering al haar verplichtingen weer kan dragen. Voor (PE-)investeerders gaat het om dezelfde kernvraag in een andere vorm: zit het probleem vooral in de schuldenlast uit het verleden, of is het onderliggende verdienmodel onvoldoende? Alleen in het eerste geval kan schuldsanering daadwerkelijk waarde behouden.
Levensvatbaarheid bij een WHOA-traject
De WHOA is bedoeld voor ondernemingen die voorzien dat zij hun schulden niet langer kunnen blijven betalen, maar waarbij ingrijpen nog vóór faillissement mogelijk is. De wet stelt geen formele levensvatbaarheidstoets als toegangsdrempel. Dat is een bewuste keuze: levensvatbaarheid is moeilijk onomstotelijk vast te stellen aan het begin van een traject.
Toch is het begrip allesbehalve irrelevant. In de onderbouwing van het akkoord zal aan de hand van de opgestelde prognoses worden gesteld dat een bedrijf levensvatbaar is. Als dit onderbouwd wordt gedaan, zal dit vaak worden aangenomen. Hierbij zal door de rechtbank dan ook niet direct naar de levensvatbaarheid zelf worden gekeken, maar wordt dit enkel beoordeeld als dit door één of meer schuldeisers wordt aangedragen. Als het evident is dat de onderneming ook na schuldensanering niet levensvatbaar is, zal al enkel hierom een aangeboden akkoord niet kunnen slagen. De rechter kan en zal de homologatie van het akkoord dan ook weigeren.
Bij het aanbieden van een akkoord moet inzicht worden gegeven in wat het akkoord financieel betekent voor schuldeisers. Daarbij spelen twee waarden een belangrijke rol:
- De liquidatiewaarde: wat blijft er voor schuldeisers over als de onderneming wordt geliquideerd?
- De reorganisatiewaarde: wat kan worden gerealiseerd als de onderneming na het akkoord als draaiend geheel wordt voortgezet?
Die waarden zijn niet hetzelfde als de levensvatbaarheidstoets, maar ze hangen daar wel nauw mee samen. Als de reorganisatiewaarde hoger is dan de liquidatiewaarde, laat dat zien dat het akkoord meerwaarde kan creëren ten opzichte van faillissement. Dat ondersteunt de gedachte dat sanering zinvol is. Maar uiteindelijk moet ook aannemelijk zijn dat de onderneming na het akkoord daadwerkelijk verder kan. Als dat perspectief ontbreekt, heeft ook een WHOA-traject weinig te bieden.
Levensvatbaarheid bij een buitengerechtelijk akkoord met de Belastingdienst
Bij een buitengerechtelijk akkoord tussen private schuldeisers zijn er geen wettelijke spelregels. Dat verandert zodra de Belastingdienst wordt gevraagd mee te werken aan kwijtschelding van belastingschulden. Dan gelden aanvullende voorwaarden.
In het kort werkt de Belastingdienst in beginsel alleen mee als:
- het aangeboden bedrag niet onderdoet voor wat in faillissement haalbaar zou zijn;
- de Belastingdienst het dubbele percentage ontvangt van hetgeen aan andere schuldeisers wordt betaald;
- belastingverplichtingen die tijdens het traject ontstaan gewoon worden betaald; en
- er reële vooruitzichten zijn op voortzetting van de onderneming na het akkoord.
Die laatste voorwaarde is de fiscale invulling van de levensvatbaarheidstoets. De Belastingdienst beoordeelt of uit de liquiditeitsprognose blijkt dat de onderneming na sanering alle lopende bedrijfskosten kan betalen, voldoende ruimte heeft voor noodzakelijke vervangings- en groei-investeringen, én haar nieuwe fiscale verplichtingen tijdig kan nakomen. Een akkoord dat alleen oude schulden wegneemt maar geen sluitende liquiditeitsonderbouwing voor de toekomst bevat, is onvoldoende.
De levensvatbaarheid kan worden aangetoond door een beoordeling opgemaakt door een bank, RA of AA. Ontbreekt zo'n verklaring, dan verzoekt de Belastingdienst om een prognose van de balans en winst- en verliesrekening en een kasstroomprognose voor 2 jaar na totstandkoming van het akkoord of zijn er bijzondere omstandigheden. De Belastingdienst toetst de levensvatbaarheid vervolgens zelf, aan de hand van voornoemde stukken.
Hoe toets je levensvatbaarheid in de praktijk?
Of de onderneming levensvatbaar is na schuldsanering, is niet altijd direct duidelijk. De volgende vragen helpen om dat scherp te krijgen:
1. Is de onderneming operationeel winstgevend, los van de schuldenlast? Als de kernactiviteit verlieslatend is, kan schuldsanering wel de balans verbeteren, maar lost het het eigenlijke probleem niet op.
2. Sluit een conservatieve liquiditeitsprognose? Optimistische prognoses kan iedereen maken. Hou bij het opstellen van prognoses juist óók rekening met tegenvallers, zodat duidelijk wordt of de onderneming echt toekomstbestendig is.
3. Welke schulden moeten worden gesaneerd om de onderneming weer financierbaar te maken? Denk aan bankleningen, belastingschulden, achterstallige huur, leveranciersschulden en eventuele aandeelhoudersleningen. Een akkoord dat niet alle belemmeringen wegneemt, is geen oplossing.
4. Is er nieuw geld nodig, en wie verstrekt dat? Sanering neemt historische schulden weg, maar als er ook een operationeel liquiditeitstekort is voor de komende periode, is tussentijds aanvullende financiering nodig. Wie dat geld verstrekt, onder welke voorwaarden en of dat realistisch is, bepaalt mede of het saneringsplan houdbaar is.
5. Is het draagvlak bij sleutelpartijen aanwezig? Een onderneming kan financieel levensvatbaar lijken op papier, maar praktisch alsnog vastlopen als de bank, Belastingdienst, verhuurder of een strategische leverancier niet meewerkt en de hakken in het zand zet.
Wanneer heeft een akkoord geen zin?
Een schuldenakkoord is geen universeel redmiddel. Er zijn situaties waarin een traject starten niet het gewenste doel bereikt:
- De onderneming is ook na sanering structureel verlieslatend, omdat het bedrijfsmodel niet langer werkt.
- De liquiditeitsprognose sluit alleen bij sterk optimistische aannames over omzet, marges of kostenbesparingen.
- De benodigde aanvullende financiering is niet beschikbaar.
- Nieuwe verplichtingen kunnen tijdens het traject niet tijdig worden nagekomen, waardoor schuldeiser, bijvoorbeeld de Belastingdienst, niet kunnen of willen meewerken.
- Het akkoord ruimt historische schulden op, maar de operationele problemen blijven bestaan.
In die gevallen levert een akkoord, mits het slaagt, hooguit tijdelijk lucht op. Het kan dan verstandiger zijn om eerder te kiezen voor een gecontroleerde verkoop, een gedeeltelijke liquidatie of het aanvragen van eigen faillissement, in plaats van tijd, geld en energie te steken in een traject dat uiteindelijk niks oplevert.
Conclusie: begin bij de vraag, niet bij het instrument
Een schuldenakkoord kan een krachtig middel zijn om een onderneming te redden. Maar het instrument is niet het vertrekpunt. Dat is de vraag of er na sanering een onderneming overblijft die zelfstandig kan draaien.
Is de onderneming in de kern gezond, maar wordt zij verstikt door een te zware schuldenlast? Dan kan een buitengerechtelijk akkoord of WHOA-traject de ruimte geven die nodig is om te herstellen. Is het probleem structureler, dan verdient een andere vraag prioriteit: moet de onderneming worden afgeslankt, verkocht of afgewikkeld?
Voor de ondernemer zelf gaat het om de vraag of er na sanering nog een bedrijf is dat de moeite waard is om voort te zetten. Voor de investeerder gaat het om de vraag of de resterende waarde en het perspectief de inzet van extra kapitaal rechtvaardigt.
Niemand kan bij aanvang van een herstructureringstraject met zekerheid zeggen hoe de toekomst eruitziet. Maar dat maakt de vraag niet minder urgent. Integendeel: juist omdat het antwoord nooit volledig zeker is, is het des te belangrijker om hem te stellen voordat grote stappen worden gezet.
Wie die vraag overslaat, koopt tijd. Wie hem stelt, koopt toekomst. Of je nu zelf aan het roer staat of als investeerder meekijkt: de waarde van een akkoord staat of valt met wat er daarna nog overblijft.
Neem contact met ons op
- Rotterdam +31 (0)10 440 05 00
- Den Haag +31 (0)70 354 70 54