De invloed van de financier of aandeelhouder op (het beleid van) een vennootschap
15 april 2026 - Christiaan Groenewoud
Auteurs: Christiaan Groenewoud - Advocaat, Partner en Lara Borrie - Juridisch medewerker
Een financier, aandeelhouder of gevolmachtigde kan bepaalde rechten hebben om vergaande invloed op het beleid van de vennootschap uit te oefenen, zonder dat diegene statutair bestuurder is van die vennootschap. Zo kan een fondsbeheerder van een private equity investeerder als aandeelhouder betalingsinstructies geven aan de statutair bestuurder of aanwijzingen of instructies geven over het te voeren beleid.
Het is in dit soort situaties van belang om te beseffen dat in zulke handelingen een aansprakelijkheidsrisico kan schuilen als crediteuren onbetaald blijven en/of een faillissement van de vennootschap volgt. De vraag is dan: waar ligt de grens voor het uitoefenen van invloed op de onderneming door iemand die geen statutair bestuurder is, zonder dat hij aansprakelijk gehouden kan worden wanneer het mis gaat?
Vaak is dit een grijs gebied dat getoetst moet worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Deze bijdrage schetst een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden wanneer de derde (niet-bestuurder) een vergaande invloed uitoefent op (het beleid van) een vennootschap.
Uitgangspunt is dat een besloten of naamloze vennootschap (B.V. of N.V.) als rechtspersoon zelfstandig haar rechten en plichten draagt. Dat betekent dat in beginsel alleen de vennootschap aansprakelijk is voor haar schulden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is, naast de aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van de statutair bestuurder.
Voor wat betreft de aandeelhouder geldt het uitgangspunt dat hij in beginsel niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade als gevolg van rechtshandelingen die in naam van de vennootschap worden verricht (zie artikel 2:64 en 2:175 BW), los van enkele wettelijke aansprakelijkheden (zie artikel 2:80, 2:216 en 2:403 BW). Toch zijn er ook situaties denkbaar waarin aandeelhouders, financiers of andere derden die namens de vennootschap bepaalde (rechts)handelingen verrichten aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schulden van de vennootschap. Hierna wordt een aantal van die situaties kort besproken.
Feitelijk leidinggevende / beleidsbepaler
De situatie kan zich voordoen dat iemand, bedoeld of onbedoeld, als feitelijk leidinggevende of beleidsbepaler van de vennootschap optreedt. Dit is relevant met het oog op een aantal wetsartikelen (zie artikel 2:248 lid 7 BW en artikel 348a Sr). Die artikelen bepalen dat sommige wettelijke aansprakelijkheidsnormen die gelden voor de statutair bestuurder ook van toepassing zijn op de feitelijk beleidsbepaler.
Van feitelijk leidinggeven in het kader van artikel 2:248 BW is volgens de Parlementaire Geschiedenis sprake als er (i) een directe bemoeienis is met het bestuur van de vennootschap en (ii) het formele bestuur feitelijk terzijde wordt gesteld. In de rechtspraak zijn deze criteria verder uitgewerkt. Met name laatstgenoemd vereiste wordt tegenwoordig niet zo strikt gehanteerd.
Voor de private equity-praktijk is dit leerstuk zeer relevant. Een fondsbeheerder die een portfoliovennootschap heeft overgenomen, oefent doorgaans vergaande invloed uit op het beleid van die vennootschap. Dat is op zichzelf niet problematisch: een aandeelhouder mag zijn belangen behartigen en binnen de grenzen van de wet zijn zeggenschapsrechten uitoefenen. Maar wanneer de moedervennootschap of fondsbeheerder zo diep ingrijpt in de operationele besluitvorming dat zij feitelijk bestuurshandelingen verricht, bestaat het risico dat zij wordt aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler, mét de bijbehorende aansprakelijkheidsrisico's.
Daarmee is niet gezegd dat zo’n actie altijd slaagt, maar gedupeerde schuldeisers en/of de curator zullen die mogelijkheden in het huidige tijdsgewricht waarin steeds vaker aansprakelijk wordt gesteld, zeker onderzoeken. Ook al is het om leverage te creëren om de PE-aandeelhouder te bewegen om de schade of een deel daarvan te laten betalen.
Feitelijk leidinggeven
Volgens een uitspraak van het Hof Den Bosch uit 2020 is het niet steeds van belang of het formele bestuur feitelijk terzijde is gesteld: het gaat erom of de aangesproken partij zèlf daadwerkelijk bestuurshandelingen heeft verricht. Hier ging het om een familielid dat zich vergaand met de vennootschap bemoeide. De echtgenoot van de bestuurder van de onderneming hielp de onderneming met financiële problemen door “een algemene verantwoordelijkheid” te dragen. Zo verrichtte de echtgenoot betalingen en kon hij niet duidelijk maken welke bestuurshandelingen uitsluitend en daadwerkelijk door de bestuurder waren verricht en welke door hemzelf (en in welke hoedanigheid) waren uitgevoerd. Daarmee was hij volgens het Hof aan te merken als feitelijk leidinggevende. Dat de echtgenoot de bestuurder hielp om de vennootschap het hoofd boven water te houden maakte dit volgens het Hof niet anders.
In het Red Dragon-arrest van 24 maart 2023 heeft de Hoge Raad het tweede vereiste van feitelijke terzijdestelling verder gerelativeerd. De Hoge Raad overwoog daarin dat dit tweede vereiste niet inhoudt dat "de feitelijke beleidsbepaler moet hebben bestuurd in plaats van en met uitsluiting van het formele bestuur." De feitelijk beleidsbepaler moet zich ten minste een deel van het beleid hebben toegeëigend dat normaal aan het bestuur toekomt, terwijl het formele bestuur dat gedoogt. Daarmee heeft de Hoge Raad bevestigd dat ook een situatie waarin de medebeleidsbepaler zijn wil aan het bestuur oplegt en het formele bestuur dat gedoogt, voldoende is. Óók als het formele bestuur op dochterniveau haar taken blijft uitoefenen.
Hoewel bij ons nog geen jurisprudentie bekend is waarin de rechter deze vereisten toepast op het handelen van een private equity partij, zien wij zeker paralellen die relevant zijn voor de private equity praktijk. De uitspraken van de Hoge Raad verduidelijken het risico op kwalificatie als medebeleidsbepaler in concernverhoudingen, ook bij private equity structuren waarbij de fondsbeheerder of moedervennootschap vergaand sturing geeft aan de portfolio-onderneming.
In een typische private equity structuur beheert de fondsbeheerder immers één of meerdere investeringsfondsen die deelnemingen verwerven in portfoliovennootschappen. De relevante vraag is steeds: bepalen de portfoliovennootschappen zelfstandig hun gedrag, of oefent de fondsbeheerder een zodanig beslissende invloed uit dat zij samen als een economische eenheid zijn te beschouwen?
Rechtbank Rotterdam heeft in dit verband expliciet geoordeeld dat in het kader van aansprakelijkheid, het toerekeningsleerstuk ook van toepassing is op private equity bedrijven: "Het gedrag en de bevoegdheden van een private equity bedrijf hoeft immers niet gelijk te zijn aan die van een enkel en alleen financiële investeerder." De rechtbank benadrukt hier dat relevant is de vraag of de portfoliovennootschappen zelfstandig hun gedrag bepalen, of dat het private equity bedrijf een beslissende invloed heeft, waardoor niet meer gezegd kan worden dat de portfoliovennootschappen zelfstandig handelen.
Werknemer als feitelijk bestuurder
In 2012 oordeelde de Rechtbank Almelo op een vergelijkbare manier over de aansprakelijkheid van een werknemer als feitelijk bestuurder. Ook daar werd geoordeeld dat het, om als feitelijk leidinggevende te kunnen worden aangemerkt, geen harde eis is dat het statutaire bestuur terzijde wordt gesteld.
Een financieel directeur werd als feitelijk beleidsbepaler aangemerkt omdat hij zich niet alleen bezighield met de financiële administratie (die niet voldeed aan artikel 2:10 BW), maar ook het contact onderhield met de advocaat, de accountant en de FNV en deelnam aan directievergaderingen over de productie, kwaliteit, verkoop en investeringen. De daar aan de orde zijnde intensieve betrokkenheid bij de gang van zaken van de vennootschap kon volgens de Rechtbank worden aangemerkt als feitelijk besturen, ook wanneer ‘slechts’ samen met of naast het statutaire bestuur wordt gehandeld.
Instructierecht aandeelhouder
Ook als het gaat om een aandeelhouder die gebruikmaakt van een aan hem toegekende goedkeuringsbevoegdheid kan het risico om te worden gekwalificeerd als feitelijk beleidsbepaler op de loer liggen. Rechtbank Limburg oordeelde in 2021 dat een aandeelhouder die de bevoegdheid had om transacties boven een drempelbedrag al dan niet goed te keuren, als medebeleidsbepaler kon worden aangemerkt.
Toch lijkt dit oordeel enigszins genuanceerd te moeten worden. In beginsel maakt de enkele uitoefening van een goedkeuringsbevoegdheid de aandeelhouder niet tot medebeleidsbepaler, omdat de aandeelhouder dan binnen zijn wettelijke en statutaire bevoegdheden handelt. Zodra de betrokkenheid zich echter uitstrekt tot de uitvoerende laag van de onderneming, verschuift de kwalificatie. Een enig aandeelhouder die het bestuur ontslaat en benoemt, en actief gebruik maakt van zijn instructierecht, zal sneller als feitelijk beleidsbepaler worden aangemerkt.
In het licht van het Red Dragon-arrest van de Hoge Raad is ook voor private equity investeerders van belang alert te zijn op het moment waarop instructiebevoegdheden of goedkeuringsrechten ten aanzien van strategische beslissingen worden ingezet. Naarmate de invloed meer omvat dan louter het uitoefenen van aandeelhoudersrechten, en zeker wanneer de aandeelhouder zijn wil feitelijk aan het bestuur oplegt, neemt het risico toe dat een rechter hem als (mede-)beleidsbepaler aanmerkt. Zolang instructies en goedkeuringen verlopen via de statutair vastgelegde organen en besluitvormingsprocedures, is het risico op kwalificatie als medebeleidsbepaler beperkt. Zodra een fondsmanager of boardroom-vertegenwoordiger echter feitelijk bestuurshandelingen verricht die normaliter bij het formele bestuur liggen, neemt dit risico toe.
Handelen van de financier of door pandhouder aangestelde interimmanager
Tot slot is een uitspraak waarin het ging om een door de financier/bank aangestelde insolventie-adviseur relevant. Gezien de vergaande bemoeienis van deze adviseur met het beleid van de vennootschap rees ook daar de vraag of hij als feitelijk (mede-) beleidsbepaler moest worden aangemerkt. Volgens Gerechtshof Amsterdam was dat inderdaad het geval. Nadat de bank het krediet had opgezegd, schoof zij zelf een interimmanager naar voren. Weliswaar had deze specialist geen formele tekenings- en bestuursbevoegdheid, maar alles wees erop dat hij met zijn advisering zodanige invloed op de formele directie had, dat hij vanaf zijn aantreden in feite het beleid in belangrijke mate (mede) had bepaald. Dat beleidsbepalen bestond onder andere uit het verkopen van de activa van de vennootschappen en het verdelen van de opbrengst daarvan over een selectief groepje crediteuren.
De rol van de financier in herstructureringen
Een andere categorie die in dit kader aandacht verdient is de aandeelhouder die wegens vergaande bemoeienis met het beleid van de vennootschap een zorgplicht verkrijgt jegens de crediteuren van die vennootschap. Een (financierende) aandeelhouder kan dan in bepaalde omstandigheden ook aansprakelijk zijn jegens individuele of de gezamenlijke schuldeisers van de vennootschap als hij de zorgplicht die hij jegens hen heeft schendt. Maar wanneer speelt dat dan?
Het uitgangspunt van de rechtbank is consistent: de aandeelhouder heeft minder vergaande verplichtingen jegens de vennootschap en jegens derden dan een bestuurder of een commissaris, en van een aandeelhouder mag dan ook minder worden verwacht. De toetsingsnorm bij de aandeelhouder is daardoor nog zwaarder dan bij de bestuurder.
Dit betekent dat een aandeelhouder pas aansprakelijk is als hij een op hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder rustende zorgvuldigheidsnorm jegens de belanghebbende had, die norm heeft geschonden en de aandeelhouder een of meer belanghebbenden daardoor voorzienbaar heeft benadeeld.
Hierna volgt een aantal situaties die in de rechtspraak vaker aan de orde zijn geweest en waarbij de hieronder genoemde omstandigheden in onderling verband kunnen leiden tot het bestaan van een zorgplicht. Daarvoor zal nodig zijn dat sprake is van ten minste de eerste drie omstandigheden.
Ingrijpmacht:
Een aandeelhouder heeft een dusdanige invloed op het beleid van de vennootschap dat hij de macht heeft om in te grijpen. Die invloed zal over het algemeen groter zijn bij een hechte concernstructuur, waarin de geldstromen en/ of activiteiten van verschillende vennootschappen nauw met elkaar verweven zijn. Voor het vaststellen van de concernverhoudingen zijn onder andere de bepalingen in de statuten, zoals eventuele instructiebevoegdheden, en de financieringsstructuur van belang.
De Hoge Raad heeft dit vereiste nader ingevuld in het Sobi/Hurks II-arrest: de moedervennootschap had, gelet op haar positie als aandeelhouder met vergaande bemoeienis met de bedrijfsvoering van de dochter, een zorgplicht toen zij had behoren te onderkennen dat de dochter onvoldoende verhaal bood aan haar schuldeisers. In een recente uitspraak bevestigde de Rechtbank Gelderland dat voor de aansprakelijkheid van de aandeelhouder in concernverband de lat aanzienlijk hoger ligt dan voor de bestuurder zelf, en werden hoge eisen gesteld aan de stelplicht en bewijslast van de eisende partij.
Beleidsbemoeienis:
Een aandeelhouder gebruikt de onder 1 genoemde invloed door zich intensief en indringend met het beleid van de vennootschap te bemoeien.
Inzicht in gebrek aan verhaalsmogelijkheden:
Een aandeelhouder was door zijn beleidsinmenging op de hoogte of had moeten weten dat de vennootschap geen verhaal zou bieden voor haar crediteuren. Vanaf het moment dat die wetenschap bestaat, moet de aandeelhouder maatregelen treffen om schade te voorkomen, voor zover dat mogelijk is.
De aansprakelijkheidspositie van de aandeelhouder is door de Rechtbank Gelderland nader getoetst in een zaak waarbij een Belgische onderaannemer een Nederlandse werkmaatschappij aanklaagde na het faillissement van Senvion GmbH. De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat activa zich niet in de werkmaatschappij bevinden maar in de (groot)moedervennootschap, zoals veelal gebruikelijk in PE-structuren, op zichzelf niet onrechtmatig is jegens schuldeisers. Wel brengt een dergelijke structuur en de afhankelijkheid van één opdrachtgever een zekere kwetsbaarheid mee waarmee een bestuurder bij zijn handelen rekening dient te houden.
Schijn van kredietwaardigheid:
Een aandeelhouder wekt het vertrouwen bij crediteuren dat de vennootschap of hijzelf de schulden van de vennootschap zal voldoen, terwijl dat vervolgens niet gebeurt. Dit vereiste wordt restrictief uitgelegd. Zo oordeelde de Rechtbank Gelderland dat de gekozen concernstructuur niet dusdanig uitzonderlijke risico's voor de werkmaatschappij meebracht dat de aandeelhouder ten tijde van het aangaan van de overeenkomst daarmee een onjuiste (te positieve) verwachting heeft gewekt omtrent de kredietwaardigheid van de werkmaatschappij. Vergelijkbaar oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland in 2025 dat het sluiten van een indeplaatsstellingsovereenkomst namens de drogisterij niet gepaard ging met wetenschap bij de bestuurders dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen.
Inrichting groepsstructuur:
Een aandeelhouder kan een structuur van vennootschappen oprichten dat bijvoorbeeld sprake is van een kostenvennootschap en een opbrengstenvennootschap. De schuldeisers van de vennootschap waarin de (personeels-, inkoop- en productie)kosten vallen, riskeren meer dan de schuldeisers van de vennootschap van waaruit de verkopen plaatsvinden.
Zoals hiervoor bij punt 3 al aan de orde kwam, heeft de Rechtbank Gelderland in haar vonnis uit 2023 geoordeeld dat een structuur waarbij de activa in de moedermaatschappij zijn ondergebracht niet inherent risicovol voor crediteuren is. Zij heeft daartoe overwogen dat een dergelijke structuur niet ongebruikelijk is en zelfs getuigt van verantwoorde risicospreiding om activiteiten van verschillende aard en met verschillende risico's onder te brengen in verschillende vennootschappen. Ditzelfde geldt voor de staking van bedrijfsactiviteiten: de rechtbank benadrukte dat de beslissing tot het staken van activiteiten bij de bestuurder ligt, niet bij de aandeelhouder; de aandeelhouder is op grond van een eventuele ingrijpmacht ook niet gehouden dat staken te voorkomen indien daartoe voldoende zakelijke gronden bestaan.
Uitkeringen en onttrekkingen:
Een aandeelhouder kan bewerkstelligen of toelaten dat de vennootschap met voorrang bepaalde schuldeisers betaalt, terwijl er geen rechtvaardiging bestond om die betaling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld een dividenduitkering aan zichzelf zijn, maar ook door betalingen te (laten) verrichten die in zijn belang zijn. Deze situatie doet zich vaak voor in combinatie met een risicovolle concernstructuur.
In dit verband geeft een tweetal recente uitspraken van de Rechtbank Gelderland verheldering. In het vonnis uit 2023 hield de rechtbank haar oordeel over de selectieve betalingen aan een groepsmaatschappij aanvankelijk aan, omdat de achtergrond van de betalingen (bestaande uit een aflossing op een schuld aan groepsmaatschappijen in 2020 en 2021) onvoldoende was onderbouwd. In het eindvonnis oordeelde de rechtbank vervolgens dat de bestuurder aansprakelijk was jegens de schuldeiser wegens selectieve betalingen aan de groepsmaatschappij, nu het vanaf het faillissement van Senvion duidelijk was dat er onvoldoende middelen in de werkmaatschappij aanwezig waren om crediteuren te voldoen. Voor de aandeelhouder werd de vordering echter afgewezen: de aandeelhouder had de betalingen niet zelf verricht, en de stelplicht en bewijslast ter zake van aandeelhoudersaansprakelijkheid was onvoldoende ingevuld.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in 2024 in het kader van een dividenduitkering en het niet benutten van kredietruimte dat een aandeelhouder niet snel persoonlijk ernstig verwijtbaar handelt. Het hof vernietigde het oordeel van de rechtbank dat een beroep op rechtsverwerking slaagde, maar stelde tegelijkertijd vast dat noch met betrekking tot de dividenduitkering, noch met betrekking tot het niet benutten van de kredietfaciliteit of de aanvraag van het eigen faillissement van de bestuurder of de aandeelhouder persoonlijk ernstig verwijt kon worden vastgesteld.
Versterken eigen verhaalspositie
Een aandeelhouder die zijn verhaalspositie ten koste van de crediteuren versterkt, waardoor deze laatsten zich niet meer kunnen verhalen op activa van de vennootschap kan aansprakelijk worden gesteld. Zoals de Hoge Raad heeft bepaald in het Coral/Salt- arrest kan een te vergaande bemoeienis door de aandeelhouder met het beleid van de vennootschap tot gevolg hebben dat de aandeelhouder aansprakelijk gehouden kan worden voor de daaruit voortvloeiende schade. In die zaak had de aandeelhouder andere partijen bevooroordeeld door bewust op basis van subjectieve factoren de vordering van één crediteur bij de vorderingen van alle handelscrediteuren en zustermaatschappijen achter te stellen. Het is als aandeelhouder van belang hier goed op te letten.
Aandeelhouder (en/of financier) die een zorgplicht jegens crediteuren schendt
Een aandachtspunt dat in de PE-praktijk bijzonder relevant is, betreft de vraag in hoeverre een financierende aandeelhouder verplicht kan worden om aanvullende financiering te verstrekken, dan wel zijn bestaande kredietruimte ter beschikking te blijven stellen, als de vennootschap in zwaar weer verkeert. De Rechtbank Gelderland oordeelde in 2023 expliciet dat de rechtspersoon als zelfstandig rechtssubject zelf aansprakelijk is voor zijn eigen schulden en dat de aandeelhouder in beginsel niet verplicht is om bij te storten of financiering te verschaffen. Een beroep op het Comsys Holding-arrest, waarin werd bepaald dat omstandigheden kunnen meebrengen dat op een moedervennootschap een zorgplicht rust ten aanzien van schuldeisers van een dochtervennootschap, ging in die zaak niet op. De structuur van het concern was namelijk niet zo opgezet dat één van de dochtervennootschappen altijd verliezen leed en werd gefinancierd via een rekening-courantverhouding door de moedervennootschap.
In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad in oktober 2024 geoordeeld over de vraag of een financier door homologatie van een WHOA-akkoord kan worden verplicht om nog niet benutte kredietruimte aan de schuldenaar ter beschikking te stellen onder voorwaarden die ten nadele van de financier afwijken van de bestaande financieringsovereenkomst. De Hoge Raad oordeelde dat zulks niet mogelijk is: een nog niet benutte kredietruimte is geen vorderingsrecht en kan derhalve niet in een WHOA-akkoord worden betrokken. Dit oordeel bevestigt dat de handvrijheid van een PE-financier om zijn kredietengagement te bepalen ook in de context van een herstructurering aanzienlijk blijft.
Onbevoegde vertegenwoordiging en schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid
Een andere situatie waarin een bepaalde bemoeienis met de vennootschap een aansprakelijkheidsrisico meebrengt, is de situatie waarin sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging of het wekken van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Een niet-bestuurder kan de vennootschap slechts rechtsgeldig vertegenwoordigen op grond van een volmacht (art. 3:60 BW). Een voorbeeld daarvan is de bevoegdheid om namens de vennootschap overeenkomsten te sluiten tot een bepaalde contractwaarde.
Er zijn meerdere situaties denkbaar waarin de vertegenwoordiger onbevoegd handelt: (i) er is in het geheel geen volmacht verleend, (ii) de volmacht is nietig of wordt vernietigd, (iii) de grenzen van de volmacht worden overschreden, of (iv) de volmacht is geëindigd op het moment dat de rechtshandeling wordt verricht.
Hierbij is het uitgangspunt dat een partij niet is gebonden aan een overeenkomst die namens hem onbevoegd door een derde is aangegaan. De contractspartij kan daardoor in een nadelige situatie worden geplaatst. In dit soort gevallen kan de wederpartij die te goeder trouw is degene die zich voordeed als gevolmachtigde op grond van artikel 3:70 of artikel 3:76 BW aanspreken voor de daardoor geleden schade.
Dit is anders als er sprake is van ‘schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid’: als een rechtshandeling door een onbevoegde persoon in naam van een ander is verricht en de wederpartij op basis van de verklaringen of gedragingen van die ander erop mocht vertrouwen dat er wel een volmacht zou zijn verleend, dan is de onbevoegd vertegenwoordigde vennootschap toch aan de overeenkomst gebonden.
Het gaat steeds om iemand die gedragingen vertoont en/of handelingen verricht die externe partijen, zoals afnemers en leveranciers, wel zien als typische bestuurshandelingen, terwijl die persoon geen bestuurder is. Het is van belang om in al deze situaties erop te letten tot hoever de bevoegdheid (in geval van volmacht) en invloed (in geval zorgplicht en feitelijk leidinggeven) reikt.
Conclusie
Drie aansprakelijkheidsrisico's staan centraal voor niet-bestuurders met vergaande betrokkenheid bij een vennootschap: (i) kwalificatie als feitelijk beleidsbepaler (art. 2:248 lid 7 BW), (ii) schending van een zorgplicht jegens crediteuren, en (iii) onbevoegde vertegenwoordiging van de vennootschap. Deze risico's doen zich met name voor wanneer de vennootschap in financiële problemen verkeert en crediteuren onbetaald blijven.
De hiervoor genoemde aansprakelijkheidsrisico’s zullen zich met name voordoen als de vennootschap in financiële problemen verkeert en/of als crediteuren lange tijd onbetaald blijven. Het is dan ook van belang, wanneer men geen bestuurder is maar wel vergaande bemoeienis bij de bedrijfsvoering heeft, erop te letten dat men binnen de grens blijft van wat daarin toelaatbaar is. De ervaring leert dat deze risico's verder te beperken zijn door: het vastleggen van een heldere schriftelijke taakverdeling tussen het bestuur en de betrokken derde; het opstellen van een duidelijke schriftelijke volmacht, bij voorkeur ingeschreven in het handelsregister, met duidelijke communicatie richting de gevolmachtigde en de wederpartij; en het laten verlopen van besluitvorming via de statutair vastgelegde organen en besluitvormingsprocedures.
Neem contact met ons op
- Rotterdam +31 (0)10 440 05 00
- Den Haag +31 (0)70 354 70 54